TERUG

 
 

Volledige versie in PDF

 


Standaarden in het (digitaal) beschrijven van vormgevingsarchieven

Tekst gebaseerd op de lezing gehouden tijdens de bijeenkomst georganiseerd door het Centraal register Vormgevingsarchieven 'Werk in uitvoering' op 9 juni 2010 te Den Haag:

Deze samenvatting geeft de resultaten van een onderzoek naar ontsluitingsmethoden van vormgevingsarchieven en vormgevingscollecties. Doel van het onderzoek was het formuleren van richtlijnen voor het bewerken van vormgevingsarchieven. Het gaat daarbij niet alleen om het invoeren van de metadata maar ook het traject voor en na deze fase. Selectie en waardering spelen daarbij een belangrijke rol evenals het goed informeren van de gebruiker.


Het vormgevingsarchief wordt grofweg op twee verschillende manieren ontsloten. Deze ontsluiting is een afgeleide van de instelling die het archief bewaart. Musea ontsluiten het archief of de collectie zodat gebruik ervan door de museummedewerkers mogelijk is, terwijl archieven zich op de externe archiefgebruiker richten. In musea toont men bijvoorbeeld materiaal in tentoonstellingen binnen de context van een vooropgesteld thema of verhaal. Archieven tonen een digitale inventaris of presenteren een zoeksysteem zodat de gebruiker zelf zijn weg kan vinden.


De conclusie van het onderzoek is dat de wijze waarop een vormgevingsarchief of collectie ontsloten en gepresenteerd wordt aangepast moet zijn op de vraag van de toekomstige gebruiker. Het archief moet zo ontsloten worden dat het voor de beoogde gebruiker goed toegankelijk is. Een goede bewerking van een vormgevingsarchief begint daarom met een gedegen gebruikersonderzoek.


De toegankelijkheid van vormgevingserfgoed kan verbeterd worden op verschillende niveaus: op het niveau van het archief, op niveau van de instellingen en op het niveau van de inhoudelijke ontsluiting.
Belangrijk voor de ontsluiting van vormgevingserfgoed op archiefniveau is het Centraal Register Vormgevingsarchieven (CRVa) dat fungeert als portal voor landelijke ontsluiting van het erfgoed.
De instelling kan de toegankelijkheid van de vormgevingsarchieven die zij in huis heeft verbeteren door contextinformatie te bieden. Het plaatsten van een tekst met uitleg over wat een vormgevingsarchief is en hoe het toegangenapparaat gebruikt kan worden, zoals een handleiding voor de inventaris, de zoekmachine of de presentatie van het vormgevingsarchief. Dergelijke elementaire informatie verbetert de toegankelijkheid al aanzienlijk.
Op niveau van inhoudelijke ontsluiting is het belangrijk te bepalen wie de (beoogde) doelgroep is. Op basis van de resultaten van een gebruikersonderzoek wordt bepaald wat wordt ontsloten en tot op welk niveau.


Wie is het publiek van een vormgevingsarchief? Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen intern publiek (eigen medewerkers van de instelling) en extern publiek. Voor deze groepen geldt dat zij op een eigen manier het archief willen doorzoeken en elk een eigen zoekvraag kennen. Voor een conservator zijn andere metadata van belang dan voor een vormgever.
Het museum is de eerste archiefgebruiker van het eigen archief. Een inventaris of een collectiemanagement systeem voor intern gebruik dient als wegwijzer naar de locatie van het fysieke object.
Extern publiek is vaak minder geoefend in het omgaan met een collectie management systeem of een inventaris. Uit de scriptie ‘De digitale archiefinventaris in gebruik’ van Evert Florijn blijkt dat onervaren archiefgebruikers niet met een digitale inventaris om kunnen gaan. Als de onervaren archiefgebruiker de beoogde doelgroep is moet de informatie kant-en-klaar worden aangeleverd waardoor een webtentoonstelling een betere ontsluiting zijn.
De doelgroep vormgevers zien graag het visuele materiaal gedigitaliseerd en via internet doorzoekbaar zodat de ontwerper vanuit zijn of haar atelier toegang heeft tot het archief. Een andere doelgroep kan zijn studenten die kennis hebben van het archief dat ze in willen zien. Een archief dat weinig en door enkel kenners geraadpleegd wordt hoeft alleen op archiefniveau ontsloten te worden. Een record in het CRVa van het archief en informatie over de voorwaarden waarop het archief ingekeken mag worden op de website van de betreffende instelling is voldoende.


In 2005 verscheen het artikel ‘More Product, Less Process’ in The American Archivist over de noodzaak van het veranderen van de archiefpraktijk. De auteurs van het artikel stellen dat archieven tot een te gedetailleerd niveau worden ontsloten waarbij niet ieder archief gebaad is bij een standaard manier van ontsluiten. Deze praktijk is ook gangbaar bij de bewerking van Nederlandse vormgevingsarchieven in musea en archieven. De auteurs van het artikel stellen zeer terecht de vraag: ‘Is our ultimate goal the physical and contextual preservation of records, or is it serving users?’


Een archief is pas toegankelijk als de gebruiker het archief als toegankelijk ervaart. Aan de hand van het gebruikersonderzoek kun je bepalen welke delen van het archief worden ontsloten en de vorm waarin dit gepresenteerd gaat worden. De keuze voor een metadatastandaard wordt gemaakt op basis van de resultaten van ditzelfde gebruikersonderzoek. Door verschillende metadatastandaarden te combineren kan er een schema op maat worden gemaakt.