TERUG  
 

Verzamelingen en verhalen. De problematiek van het tentoonstellen van geschiedenis in musea.

Meer dan twee eeuwen woedt er al een discussie over het bestaansrecht voor een Nationaal Historisch Museum. In 1798 verrijzen er plannen voor de oprichting van een ‘Nationale Konstgalerij’ die het volk moest verlichten. Na vele verhuizingen naar meer en minder geschikte locaties, Huis ten Bosch, Paleis op de Dam, Trippenhuis, is in 1885 het speciaal daarvoor gebouwde Rijksmuseum voor gebruik beschikbaar. Dit gebouw werd opgetrokken in een historiserende architectuur met verwijzingen in de details naar het verleden van Nederland.                                                                                                                                         

Hier begint ook de strijd om de eerste plaats tussen de kunsten en de geschiedenis. De historische afdeling van het Rijksmuseum kreeg in 1927 een eigen status als ‘Nederlands Museum voor Geschiedenis’ en was te bezoeken in de linkervleugel van het Rijksmuseum. De bezoeker kon daar twee presentaties aanschouwen; Geschiedenis ter zee, waar de periode 1570 tot 1875 getoond werd met de nadruk op de koloniale geschiedenis en de gouden eeuw; en de Geschiedenis ter land met een overzicht van de periode 1450 tot 1900 waar de nadruk lag op de politieke- en beschavingsgeschiedenis. Kritiek op de presentatiewijze kwam er van de historici Johan Huizinga en Frits Lucht. Ze waren van mening dat de geschiedenis te weinig ruimte kreeg in het Rijksmuseum. Directeur Smidt-Degener maakte de fout, volgens Huizinga en Lucht, de nadruk te leggen op kunstvoorwerpen. Het Rijksmuseum word nu vooral beschouwd als kunstmuseum waardoor er gedacht kan worden dat er een lacune is in museaal Nederland ten aanzien van het tonen van een geschiedkundig overzicht van Nederland. De discussie over het belang van kunst versus geschiedenis woedt nog altijd.


Het nieuwe Nationaal Historisch Museum richt zich op alle Nederlanders, een zeer ruime doelgroep. Ten tijde van de opening van het Rijksmuseum was een zeer beperkte groep volwassenen van hoge afkomst welkom. Vanuit progressief liberale hoek groeide de behoefte het ‘lagere volk’ zedelijk op te voeden. Al was het maar om opstanden te voorkomen. Kinderen hoorden ook tot deze bredere doelgroep, al werden zij oorspronkelijk alleen op de geschiedenisafdeling toegelaten daar de kunsten te hoog gegrepen zouden zijn. Na de tweede wereldoorlog komen er educatieve tentoonstellingen bedoelt om het individu te ontplooien waarbij wetenschappelijk assistent en enige personeelslid van de historische afdeling R. van Lutterveld in 1956 opmerkte dat de historische presentatie een verhaal nodig had. Het brede publiek zou niet genoeg kennis hebben om de individuele voorwerpen te kunnen plaatsen. Nu kiest het Nationaal Historisch Museum voor een thematische presentatie van de geschiedenis om haar verhalen te vertellen.


Het Nationaal Historisch Museum staat, na een korte stilte, weer volop in de media en politieke aandacht. SP politicus Jan Marijnissen en CDA politicus Maxime Verhagen dienden midden 2006 een motie in voor de oprichting van een Nationaal Historisch Museum ‘voor de verbreiding van historisch besef en historische kennis en kan bijdragen aan meer verbondenheid’. Deze motie toont sterke gelijkenis met de inzet die Agent van Financiën I.J.A Gogel had voor de Nationale Konstgalerij; hier diende de geschiedenis van Nederland gepresenteerd te worden op een zodanige manier dat ze eenheid en trots zou uitstralen. Het Rijksmuseum lijkt te zijn vergeten door de Marijnissen en Verhagen. Zijn zij van mening dat de geschiedenis en de kunsten niet samen gaan in presentatie die het nationaal verleden toont? Is het Rijksmuseum door haar langdurige sluiting vanwege de verbouwing uit het zicht geraakt? Of is er nog een derde reden? Kan het verhaal van het Nederlandse verleden wel verteld worden in een instituut wat meer dan twee eeuwen oud is en daarmee onderdeel van de geschiedenis? Misschien is het noodzakelijk dat ons verleden getoond wordt in een nieuwe context waar elk object met haar verhaal heroverwogen kan worden, kritisch bekeken kan worden. Willen Marijnissen en Verhagen wel een museum over de geschiedenis? Of ligt hun voorkeur eerder bij een museum dat de balans opmaakt over de Nederlandse geschiedenis en daarmee iets zegt over het hedendaagse Nederland?


Op 25 mei 2009 plaatst het NRC een ingezonden brief op de opiniepagina van haar maandagkrant van de voorzitter van de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea Ivo Opstelten. In deze brief maant Opstelten de politiek gepaste afstand te nemen tot het Nationaal Historisch Museum. Een museum dat ‘zich ten doel stelt in historisch perspectief te reflecteren op de Nederlandse samenleving, zal afstand nodig hebben van de dagelijkse politieke werkelijkheid om die reflectie te kunnen plegen… Het over de hoofden van minister en raad van toezicht aanspreken van de directie over inhoud en vorm brengt schade toe aan de traditie van culturele governance…’ Of de politiek hier gehoor aan geeft is afwachten daar Jan Marijnissen zijn voorkeur voor het tonen van de canon sterk uit. Het zou hem sieren de ervaring en de wetenschappelijke kennis die de raad van toezicht en de directeuren bezitten om tot een waardevol plan te komen voor het museum, te erkennen. Zij weten immers dat het presenteren van een nationale geschiedenis meer vergt dan het tonen van objecten en het vertellen van een verhaal, zeker daar dit verhaal niet alleen goede momenten kent en meerdere standpunten.


Het Nationaal Historisch Museum moet niet passief een geschiedenisverhaal vertellen, daarvoor is de Nederlandse geschiedenis te veelzijdig. Het museum moet de bezoeker de kans geven te begrijpen dat de jaartallen de structuur van geschiedenis geven maar dat gebeurtenissen meerdere verhalen kennen. Wat en wie definieert onze Nationale Geschiedenis en op welke manier moet dat worden gedaan? Dat moet de vraag zijn in het Nationaal Historisch Museum.


In de volgende twee paragrafen wil ik de problematiek van het tentoonstellen van geschiedenis en het verzamelen en selecteren van objecten bespreken aan de hand van de volkenkundige collecties in het algemeen en de menselijke resten in die collecties in het bijzonder. De paragrafen gaan over de invloed die verzamelingen en musea hebben op het beeld dat bestaat over de geschiedenis.

Depots en doofpotten.
 
De Engelse museoloog Julian Spalding schrijft ‘museums select what they collect and therefore influence what we think about the past.’[1] De Nederlandse museale collecties kennen hun oorsprong bij particuliere verzamelaars. Deze collecties waren gebaseerd op persoonlijke voorkeuren, terwijl musea collectiebeleid kennen alwaar het verzamelbeleid bepaald is door een aangestelde raad. Dit verzamelbeleid weerspiegelt de interesses van het museum, de politiek en de samenleving. ‘Museums are not fixtures but creations; they influence, often subliminally, our whole view of culture.’[2] De verzamelingen in musea hadden er dus heel anders uit kunnen zien volgens Spalding en daarmee ook onze hedendaagse kijk op onze geschiedenis.
Nederlandse museale collecties kennen verzamelingen uit overzees gebied, deze verzamelingen zien wij als onderdeel van onze geschiedenis. Maar wat vertellen deze verzamelingen? Gaan deze over de overzeese gebieden, de culturen aldaar of het leven op de plantages, of eerder over ons gecreëerde beeld van de toenmalige koloniën? Hoe zouden onze musea en ons idee van de nationale geschiedenis eruit zien als de kolonisten deze objecten links hadden laten liggen?       


De collecties gevormd door verzamelaars in overzeese gebieden spreken nog altijd tot de verbeelding maar zijn ook onderwerp geworden van discussie. De problematiek rondom deze collecties speelt ook in de ons omringende landen waaronder Engeland. Het British Museum in Londen noemt zich het ‘Museum of the World for the World’ waarmee duidelijk is dat het museum de oorsprong van zijn collectie erkent. De collectiestukken stammen uit de gehele wereld en vooral plaatsen waar de Engelsen in hun verleden overheersende posities innamen. De handel in exotische stukken door Engelsen was levendig en zorgde voor de fraaie collectie van het British Museum. Deze verzameling is een getuige van de expansie van het Engelse rijk, het imperialistische gedachtegoed en het evolutie-denken. Het ontvreemden van objecten uit andere landen was geaccepteerd. Er is echter een overeenkomst gesloten waarin staat dat de Elgin Marbles, een topstuk van het British Museum, gegeven word aan het nieuwe Akropolis Museum in Athene. Welke motieven zouden hierbij en rol hebben gespeeld? Komt deze beslissing voort uit een heroverweging van het eigen verleden en hoe deze weerspiegeld is in de nationale collecties en / of wilde men de economische en politieke betrekkingen met Griekenland niet in gevaar brengen? De heroverweging van de eigen nationale geschiedenis heeft te maken met het zelfbewustzijn van een land en de hedendaagse internationale positie. Verzamelingen zijn dus spiegels van verleden en heden. De objecten hebben een oorspronkelijke betekenis die aan het object is toegekend ten tijde van het gebruik, echter ontstaat er binnen een verzameling een nieuwe betekenis van een object waarbij de oorspronkelijke betekenis wordt gereduceerd tot een anekdote. De aanwezigheid van de Elgin Marbles in de collectie, en nu de teruggave van deze objecten, laat zien dat de rol die Engeland internationaal speelt aan verandering onderhevig is.


Het Nationaal Historisch Museum heeft geen eigen collectie en moet de positie innemen als onderzoeker van het nationale verleden in de collecties die Nederland rijk is. Dat dit onderzoek lijdt aan de waan van de dag moet het museum de bezoeker duidelijk durven te maken, en daarmee de bezoeker aan het twijfelen durven te brengen over de nationale identiteit. Dan kan er ruimte zijn voor het begrip dat een gevoel van verbondenheid niet alleen ligt in het verleden maar ook de interpretatie daarvan in het heden. Spalding geeft aan dat: ‘The challenge museums now face is to see themselves no longer as sole purveyors of the truth, but as seekers after truth on a journey they share with their visitors.’
Het voeren van deze brede discussie kan aan de hand van een specifiek type object die alom aanwezig is in de Nederlandse collecties: menselijke resten. Deze objecten moeten beschouwd worden in een geschiedkundige context en in de hedendaagse context. De menselijke resten zijn de getuige en het bewijs van het verhaal over imperialisme, kolonialisme en menselijke verhoudingen gedurende de laatste drie eeuwen en ook over het nu. Deze objecten zeggen iets over de politieke en culturele doorwerking van de koloniën in de Nederlandse samenleving. Iets wat volgens historicus Susan Legęne tot voor kort maar zeer beperkt op de onderzoeksagenda stond. Ten aanzien van de koloniale musea stelt Legęne: ‘Culturele instituties zoals volkenkundige musea, die uit die eeuw [de negentiende eeuw] uit het streven van die elites [ grote burgerij] zijn voortgekomen, zullen zich daarvan terdege rekenschap moeten geven en zich moeten bezinnen op hun achterban en hun maatschappelijke rol in de Nederlandse cultuur van de eenentwintigste eeuw.’.[3]  Susan Legęne zegt hier dat het museum en haar collectie een nieuwe doelgroep en achterban kent. Waar deze eerst bestond door en voor de elite is na de democratisering van de musea in de twintigste eeuw een doelgroep en achterban ontstaan die veel breder is. Een voorbeeld: de menselijke resten zijn destijds verzameld door een blanke westerse elite in onder andere Suriname. Surinamers zijn nu een onderdeel van de Nederlandse samenleving en ook onderdeel van de bezoekersgroep van musea. Musea moeten rekenschap geven van hun oorsprong om daarmee hun huidige plaats in de samenleving te bepalen.


Ook hebben musea een rol gespeeld in de beeldvorming die ontstaan in Nederland over buitenlandse volkeren. Dit is een tweede punt waar ze een kritische blik moeten werpen naar hun eigen tentoonstellingsgeschiedenis. Het samenspel van verzamelen en tentoonstellen in Nederlandse musea hebben een grote rol gespeeld in de beeldvorming over overzeese gebieden en daarmee over dat deel van de Nederlandse geschiedenis.
Ik pleit in deze tekst voor meer aandacht voor onderzoek naar de beeldvorming van de Nederlandse samenleving in combinatie met onze rol in de koloniën en onze houding ten opzicht van de exotische landen toen en de buitenlanden nu. De opmerkingen van Legęne over het moeten geven van rekenschap over de oorsprong van volkenkundige musea is een van de aspecten. De objecten zijn nog altijd aanwezig in onze collecties, enkele zijn teruggeven, sommige tentoongesteld en andere angstvallig verstopt in afwachting van de uitkomst van de discussie die nu gevoerd word. Een antwoord is niet mogelijk maar de verplaatsing van de objecten van en naar verzamelingen geven wel een beeld van ons huidige denken over de positie van Nederland binnen de wereld.
 
Teksten en tentoonstellingen
 
Het idee van een Nationaal Historisch Museum dat een allesomvattend verhaal van de geschiedenis vertelt en de idee van het bezitten van de wereld door een allesomvattende verzameling zoals die bestond in de zestiende en zeventiende eeuw toont een aardige overeenkomt. Beide zijn onmogelijk, men kan zowel geen allesomvattend geschiedenisverhaal over Nederland vertellen als wel de wereld beheersen door middel van een verzameling. Naturalia, artificialia en antiquiteiten moesten kennis verschaffen over de natuur, de wonderen en  wereld. Het verzamelen van objecten uit overzeese gebieden gaat terug op het rariteitenkabinet in de zeventiende eeuw. Deze privé collecties konden bezocht worden op invitatie; door vrienden; en reizigers onderweg op Grand Tour door Europa die zich aankondigden bij de eigenaar. In de loop van de achttiende eeuw werden deze curiosa steeds meer bezien als informatiebron over de ‘andere’ wereld. In de loop van de negentiende eeuw worden dit soort verzamelingen geďnstitutionaliseerd en openbaar toegankelijk. Deze musea dienden ook voor de wetenschappelijke bestudering van de mens.


Over het verzamelen zijn vele teksten gepubliceerd. Het handboek ‘Kabinetten, galerijen en musea’ uit 2005 laat een keur aan historici en kunsthistorici aan het woord om zo de geschiedenis van het verzamelen te achterhalen. Mieke Rijnders schrijft dat in de tweede helft van de negentiende eeuw de nadruk in natuurhistorische musea kwam te liggen op educatie en het museum creëerde daartoe een publieksgerichte benadering. Waar voorheen de aandacht lag op kennis van vormen en classificatie van objecten verschoof nu de aandacht naar de ontwikkeling, de leefwijze en de leefomgeving van planten en dieren die men tentoonstelde in ‘habitatgroepen’.[4] Deze manier van tentoonstellen bleef niet beperkt tot het museum maar werd ook ingezet op de Internationale tentoonstelling in 1883 in Amsterdam. De etnografische collecties die de mogendheid van een land in overzeese gebieden toonde kon hier geplaatst worden te midden van de eigen wetenschappelijke en technische vooruitgang. Het contrast tussen de verzamelde ‘primitieve’ objecten en de nieuwste technische snufjes werd voor de bezoeker breed uitgemeten. Macht en sociale vooruitgang gingen hand in hand.
Verschillende auteurs schrijven in dit handboek ‘Kabinetten, Galerijen en musea’ over meer of minder gespecialiseerde musea en verzamelingen, waarbij ook de ontwikkeling van het natuurhistorische museum aan bod komt. Rob Visser schrijft in dit hoofdstuk over het verzamelen in de praktijk in de zeventiende eeuw, het functioneren van de verzamelingen in de negentiende eeuw en de publieksfunctie van deze musea. De ordening en classificatie werd gebaseerd op de classificatie van Carolus Linnaeus zoals hij deze begin achttiende eeuw opgezet had. Echter behandeld Visser alleen de dieren- en plantenverzamelingen en schrijft hij niet over het opnemen van menselijke resten en de ideeën over die specifieke groep objecten. Verschillende in dit boek getoonde afbeeldingen van etsen uit midden achttiende eeuw tonen wel menselijke resten in alcohol zoals de afbeelding uit ‘Histoire naturelle, générale et particuličre, avec la description du Cabinet du Roi’ van G.L.L. Buffon gemaakt in 1749 en de voorplaat van A. von Haller’s uitgave ‘Mémoires sur la nature sensible et irritable des parties du corps animal’ uit 1756. Hieruit kunnen we opmaken dat contemporaine collecties menselijke delen op sterk water hield.


De aandacht voor de oprichting van musea bleef in Nederland achter ten opzichte van Europa tot midden negentiende eeuw. Dit gold vooral voor kunstmusea, het zoeken van draagvlak voor het latere Rijksmuseum, maar minder voor de ‘Leidse musea’; het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, het Kabinet van Archeologie (het latere Rijksmuseum van Oudheden) en het Japansch Museum (het latere Rijksmuseum van Volkenkunde).[5] Roel Pots schrijft in zijn boek ‘Cultuur, koningen en democraten’ over het beleid ten aanzien van cultuuruitingen. Vanuit de toenmalige overheid was er dus sprake van interesse voor collecties die overzeese objecten en naturalia toonden in tegenstelling tot kunst- en geschiedkundige musea. De aandacht voor het ‘andere’ oversteeg de aandacht voor het ‘eigene’.


In 1837 zocht Philip Franz von Siebold steun bij koning Willem II. Mary Bouquet schrijft in haar hoofdstuk ‘Het negentiende-eeuwse openbare etnografische museum’ in het handboek dat von Siebold een brief schreef aan koning Willem II om het verkrijgen van steun voor de oprichting van een etnografisch museum die zowel Chinese en Japanse collecties moest tonen alsook de Koninklijke en nationale collecties in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. Von Siebold wenste een wetenschappelijk en systematisch geordende verzameling exotische objecten om inzicht te verschaffen in de gebruiken van vreemde volken.[6] Mary Bouquet schrijft vervolgens over het verschil tussen het etnografisch museum en haar voorlopers en stelt: ‘Wat de negentiende-eeuwse etnografische collecties onderscheidt van hun voorlopers, was dat ze nu werden ondergebracht in nieuwe, ‘gespecialiseerde’ openbare instellingen die openstonden voor het publiek en financiële steun ontvingen van de overheid omdat ze werden beschouwd als iets goeds voor het volk in brede zin. De expliciete doelstelling van deze publieke instellingen was de volkeren van de wereld tentoon te stellen en zo de verschillen zowel zichtbaar als inzichtelijk te maken.’.[7] Het tonen van verschillende exotische volkeren werd dus als een deel van de volkseducatie bedacht waarbij de bezoeker een overzicht geboden kreeg van de ontwikkeling van de mens van primitief tot de eigen beschaafde cultuur. Papoea stonden op de onderste ladder terwijl Japan zeer hoog aangeschreven stond.


Interessant is de opmerking die Bouquet maakt over het verzamelen: de verzamelaar zou met het bezit van de etnografische collectie uiting geven aan de macht van de natie.[8] De verzamelde moet passief gadeslaan hoe de actieve verzamelaar macht uitoefent. ‘De kunstnijverheid van ‘primitieve’ culturen werd gepresenteerd als tegenhanger van de industriële productie.’.[9] Europese plattelandbewoners en mensen uit koloniaal gebied dienden als figuranten in exposities, zowel als deelnemer in de opstelling als bezoeker (bijvoorbeeld Chinese delegaties). De West-Europese bezoeker merkte dit anders zijn op en ging zich identificeren met de eigen nationale bevolking en cultuur.[10] Dit kon twee doelen dienen: het volk verkreeg het idee sociaal, wetenschappelijke en technisch verder ontwikkeld te zijn dan ‘exotische’ mensen aanwezig en men kreeg een gevoel van verbondenheid met de eigen groep door zich af te zetten tegen de andere buitenlandse groepen. De exotische collecties gaan dus zowel over de ander als ook over het eigen.


Het Kunsthistorisch Jaarboek uit 2002 heeft als titel ‘Het exotische verbeeld 1550-1950’ en bevat een artikel van de hand van Marieke Bloembergen ‘Exotisme en populaire antropologie. Een Javaans dorp op de Wereldtentoonstelling in Parijs (1889)’. Bloembergen stelt:’Westerse weergaven van gekolonialiseerde werelden zijn echter niet alleen interessant omdat ze duiden op een bestaande machtsverhouding maar vooral om wat ze vertellen over de heersende opvattingen en onzekerheden in de eigen westerse samenleving. Achter de ogenschijnlijke simpele beelden van ‘de ander’ in de negentiende eeuw gingen prangende vragen schuil omtrent de aard en oorsprong van de mens, over de verhoudingen en grenzen tussen de verschillende volkeren, rassen en standen, en, daarmee samenhangend, over de juiste ordening van de menselijke samenleving.’.[11] Ook Marieke Bloembergen geeft aan dat het beeld dat deze exposities en verzamelingen gaven als doel hadden een beeld te geven van de eigen cultuur en verhoudingen ten opzichte van elkaar en de ander.


Eveneens van haar hand is het boek ‘Koloniale inspiratie. Frankrijk, Nederland, Indië en de wereldtentoonstellingen 1883-1931’ uit 2004. Drie hoofdstukken in dit boek zijn bijzonder interessant, namelijk; De koloniale vertoning, Amsterdam 1883; Het koloniale debat, 1883-1931 en De antikoloniale tentoonstelling, 1883-1931. Het boek geeft een verzameling van teksten van een keur aan mensen en kranten uit de jaren 1883 tot 1932 en biedt op die manier een zeer eenvoudige toegang tot inspirerend materiaal. In haar inleiding schrijft Bloembergen dat de wereldtentoonstelling de indruk moest geven dat de vooruitgang niet overal op een gelijk tempo liep. Tevens was het een stimulans voor nationalistische gevoelens door de historische successen, kunststijlen en koloniale praal te tonen zodanig dat het nationale publiek betrokken raakte bij de beelden en ideeën van de natie.[12] Het gevoel van samenhorigheid moest dus ook uitdrukking krijgen in een nationalistische tendens en draagvlak onder de bevolking voor het koloniale project creëren.


Een belangrijke historicus die gepubliceerd heeft op het gebied van kolonialisme is Susan Legęne. In 1998 bracht het Koninklijk Instituut voor de Tropen haar boek ‘De bagage van Blomhoff en Van Breugel’ uit. Ze onderzoekt in dit boek hoe de Nederlandse samenleving door overzeese betrekkingen werd gevormd.[13] Ze constateert dat Nederland zich onder Koning Willem I ontwikkelde ‘tot een eenheidsnatie die de territoriale expansie en kolonisatie in de Oost niet kon missen om in Europa als politieke factor mee te tellen.’.[14] Ze maakt in haar inleiding al direct een aantal prikkelende opmerkingen op basis van de theorieën van Niek van Sas en Edward Said als ze stelt dat het culturele leven in Nederland gelijk leek te blijven doordat invloeden van buitenaf genationaliseerd werden. De oorsprong van rijkdom en culturele diversiteit in bijvoorbeeld vormgeving en architectuur blijven in Nederland onbesproken in het dagelijks leven als ook de literatuur.[15]  Hieruit opmakend is de acceptatie van de exotische verzamelingen als onderdeel van de Nederlandse geschiedenis niet verwonderlijk. De vreemde culturen en haar objecten werden genationaliseerd en kregen een nieuwe betekenis als handelswaar of vermaak.


Naast deze wetenschappelijke literatuur is er aan het eind van de twintigste eeuw een politiek ethische discussie ontstaan die dezelfde vraag stelt als Susan Legęne uiteen heeft gezet. Het Volkenkundig museum in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam zetten zich in voor het vormen van een nieuwe theorie en nieuwe standpunten omtrent hun verleden en huidig bestaansrecht. De collecties worden kritisch tegen het daglicht gehouden en de Engelse musea lopen hiermee voorop door middel van het opschonen van de etnografische en volkenkundige collecties.


In Nederland heeft het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden een stap gezet in het kritisch beschouwen van deze collecties dat tot de teruggave van een hoofd van een Maori aan Nieuw Zeeland leidde. Het bericht werd gepubliceerd via verschillende bronnen waaronder de website van het Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden. Toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan was van mening dat dit object niet thuishoorde in openbare museale collecties. De teruggave geeft tevens de mogelijkheid een deel van de koloniale Nederlandse geschiedenis te tonen.[16]          


Een tweede oplossing die is geboden is het opwaarderen van de koloniale collecties door de objecten een nieuwe betekenis toe te kennen. Wat eerst bezien werd als kunstnijverheid wordt nu kunst genoemd. Het Tropenmuseum plaatst indien mogelijk de naam van de maker bij het object zoals ook kunstmusea namen bij de kunstvoorwerpen vermelden. Lieske Tibbe schrijft in haar artikel over de Wereldtentoonstelling 1883 ‘Een cultuurkloof’ gepubliceerd in het tijdschrift ‘De negentiende eeuw’ dat ‘de hoofdafdeling, de ‘Koloniale Afdeeling’, was ingedeeld volgens het principe ‘van natuur naar cultuur’…’.[17] Ze merkt op dat de kunstbeoefening in de classificeren bij de koloniale volkeren niet bovenaan is geplaatst maar behoort tot ‘Middelen van bestaan’ en ‘Godsdienst en godsdienstige gebruiken’. Ze stelt dat: ‘[de kunsten uit de koloniën] kennelijk niet de status [werd] toegekend die men de eigen kunst toedichtte.’[18] Ook op de afdeling Retrospectieve kunst, alwaar een kunsthistorisch overzicht getoond moest worden, werden de voorwerpen van de koloniën uitgesloten.[19] Het recentelijk opwaarderen van voorwerpen uit koloniale collecties tot kunst kan gezien worden als het niet meer accepteren van het evolutiemodel waarin volkeren beoordeeld worden op een schaal van primitief tot beschaafd. Deze veranderende betekenis van de voorwerpen kan echter ook betekenen dat de collecties niet meer dienen ter educatie maar weer de betekenis hebben van curiositeiten.


In maart 2007 verschijnt er in het NRC Handelsblad een paginagroot artikel van Frank Westerman met als titel: ‘Dit is ons indiaantje. Tropenmuseum wil met goed fatsoen van lichaamsdelen af.’. Conservator David van Duuren stelt daarin dat: ‘De discussie kan beginnen: hoe komen we hier op een etisch verantwoorde manier vanaf?’.[20] De menselijke resten waren verzameld voor onderzoek in het toenmalige vakgebied ‘rassenkunde’. De later genoemde fysische antropologie bleek nog tot circa 1970 te zijn beoefend in het museum alwaar nu potten met hersenen van Chinesen, weekflessen met Javaanse kinderen en een doos met een getatoeëerd Maorihoofd.’ te vinden zijn.[21] Deze collectiedelen worden niet getoond, op een enkel gedroogd hoofd na, en zijn bewijsstukken van het verleden van het Tropenmuseum.


Eind twintigste eeuw brengt columnist Martin Sommer van de Volkskrant een bezoek aan het museum Bronbeek, Museum van het koninklijk tehuis voor oud-militairen. Hij bezocht de oude presentatie alwaar gesnelde hoofden in de vitrine hangen. Het museum staat voor een verbouwing waarbij ook het verhaal aangepast gaat worden aan de meer huidige ideeën en verhoudingen tussen Nederland en toenmalig Nederlands-Indië. Sommer vraagt zich af of dit nodig is: ‘Het verleden verandert er toch niet van?’ waar de conservator Dirk Staat antwoord dat menselijke resten met respect moeten worden tentoongesteld. Op de huidige website staat vermeld dat we een andere blik hebben gekregen op de koloniale geschiedenis maar op Bronbeek wordt J.B. van Heutz nog geëerd. De conservator neemt een eigen standpunt in binnen de discussie rondom het koloniaal verleden maar ziet daarin de menselijke resten enkel als objecten van zij collectie. Hij geeft aan dat hij ze tentoonstelt ‘met een stemmig lapje erop.’.[22] Maar dat deze objecten tentoongesteld worden staat buiten kijf.


In 1998 weidde de Rotterdamse Kunsthal een tentoonstelling aan menselijke resten in de Nederlandse verzamelingen. Op de website van de Kunsthal staat geschreven: ‘Uit de kerkelijke relikwieënverzamelingen, de wereldse rariteitenkabinetten en de medische studiecollecties, uit de latere ‘encyclopedische’ en de negentiende-eeuwse ‘allesomvattende’ mens- en volkenkundige verzamelingen, zijn voor deze tentoonstelling honderd stukken geselecteerd.’.[23] De tentoonstelling kreeg internationaal aandacht door het tentoonstellen van een gemummificeerde Inuit alwaar de Deense media een discussie over opzette. De Kunsthal hing de Deense krantenberichten op bij de Inuit. Ariejan Korteweg schrijft in de Volkskrant in zijn artikel ‘Geen schroom voor de dood’ dat de Inuit wel tentoongesteld is maar om vergelijkbare ethische redenen de gedroogde Maori-hoofden en lichaamsdelen uit Dachau niet.[24] Waarom heeft de Kunsthal deze keuzes gemaakt? Is het omdat de discussie rondom de Maori-hoofden in die tijd al in Engeland speelde en dat Dachau te dichtbij is?


In 2007 werd er in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een tentoonstelling en symposium gehouden met als titel ‘Verboden te verzamelen’. Susan Legęne besprak aldaar de verbintenis tussen de verzamelde menselijke resten en de tijdsperiode waarin deze verzameld zijn. Raphaël Panhuysen gaf als fysisch antropoloog aan dat deze collecties nog altijd bijdragen aan wetenschappelijke kennis.[25]  Zowel het symposium als de discussie staan in een breder kader dan alleen koloniale collecties en menselijke resten in collecties. De vraag wordt gesteld wat wel en wat niet verzameld mag worden en hoeveel men dan van een bepaald type object mag verzamelen. De discussie van het Rijksmuseum voor Oudheden speelt dus een rol in de verandering van beeldvorming door het aanpassen van deze collecties.


Op dit moment is er een tentoonstelling te bezichtigen in het Teylers museum te Haarlem die als titel ‘De exotische mens. Andere culturen als amusement.’ draagt. Deze tentoonstelling behandeld de beeldvorming die plaatsvond gedurende de negentiende eeuw en hoe deze van invloed is geweest op de mening van de West-Europeaan over andere culturen. Het symposium, gehouden op 23 maart, had als vraag ‘hoe erfgoedinstellingen omgaan met beladen onderwerpen uit het verleden… Vinden alle resten van ‘exotische mensen’ in Nederlandse musea hun weg terug naar het land van oorsprong? Wissen we daarmee een hoofdstuk uit onze koloniale geschiedenis?’.[26] Het Teylers museum richt zich daarmee op de discussie rondom repatriëring en erfgoed. Het museum stelt daarbij de vraag of het ontbreken van deze delen van de collectie kan leiden tot een gat in het collectieve geheugen. Het Teylers beziet de objecten dan als middel om iets te vertellen over de Nederlandse koloniale geschiedenis. Ik wil echter  de vraag stellen wat deze verandering van samenstelling van de collecties zegt over de veranderende denkbeelden over het verleden van Nederland en het huidige Nederland en wat de collecties die Nederland op dit moment bezit zeggen over ons verleden en heden. Als men objecten eruit verwijderd, bepaalde objecten opzettelijk niet meer verzameld en bepaalde objecten veranderd het verhaal wat over Nederland verteld word door de collecties.
De discussie rondom de repatriëring van menselijke resten toont de veranderende denkbeelden en de invloed die de samenstelling van een collectie heeft op de geschiedenis. Het Nationaal Historisch Museum moet een spiegel van de samenleving worden, en tot die samenleving horen ook musea en verzamelaars. Een museum is een sociaal fenomeen en haar verzamelingen komen voort en veranderen onder invloed van sociale structuren. Musea kunnen geschiedenis vertellen maar zijn ook geschiedenis. Uit de bestaande collecties kan het Nationaal Historisch Museum haar verhaal samenstellen, welk verhaal komt voort uit deze collecties? Ik ben van mening dat het Nationaal Historisch Museum in haar presentatie de vraag moet gaan stellen welke beelden deze verzamelingen vormen over het verleden van Nederland en of dit de beelden zijn waarin het huidige Nederland zich herkend.
 
 
[1] Spalding 2002: 7
[2] Spalding 2002: 7
[3] Legęne 1998: 26
[4] Rijnders 2005: 11
[5] Pots 2000:105-106
[6] Bouquet in Rijnders 2000: 203
[7] Bouquet in Rijnders 2000: 204
[8] Bouquet in Rijnders 2000: 205
[9] Bouquet in Rijnders 2000: 211
[10] Bouquet in Rijnders 2000: 212
[11] Bloembergen 2002: 253
[12] Boembergen 2004: 16-17
[13] Legęne 1998: 13
[14] Legęne 1998: 14
[15] Legęne 1998: 15
[16] ‘Van der Laan geeft Maori-hoofd terug aan Nieuw-Zeeland’ 8 november 2005, website Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden. Bezocht 10 mei 2009.
[17] Tibbe 2000: 144
[18] Tibbe 2000: 145
[19] Tibbe 2000: 147
[20] Westerman, Frank, ‘Dit is ons indiaantje’ 3-4 maart 2007, NRC Handelsblad, Zaterdags bijvoegsel. P. 27
[21] Westerman, Frank, ‘Dit is ons indiaantje’ 3-4 maart 2007, NRC Handelsblad, Zaterdags bijvoegsel. P. 27
[22] Sommer, Martin, ‘Bronbeek moet blijven’ 4 februari 1995
[23] ‘Botje bij botje’, website De Kunsthal www.kunsthal.nl. Bezocht op 31 mei 2009
[24] Korteweg, Ariejan. ‘Geen schroom voor de dood’ in: Volkskrant 13 november 1998.
[25] Scholten, Steph. Verslag symposium ‘Verboden te verzamelen’. Rijksmuseum van Oudheden Leiden 11 juni 2007 en ‘Verboden te verzamelen’. Digitale video op www.museumethiek.nl. Bezocht op 31 mei 2009
[26] Uitnodigingstekst symposium ‘De ethiek van het verzamelen en tentoonstellen’ behorend bij Teylers Museum Haarlem 23-03-2009
 

 


Krantenartikelen en websiteberichten:

‘Botje bij botje’ op website van De Kunsthal: www.dekunsthal.nl. Bezocht op 31 mei 2009

‘Van der Laan geeft Maori-hoofd terug aan Nieuw-Zeeland’ op website Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden, 08-11-2005 bezocht op 10-05-2009

Scholten, Steph. Verslag symposium ‘Verboden te verzamelen’. Rijksmuseum van Oudheden Leiden 11 juni 2007

Slager, Sije, ‘100.000 lijken in de kast’ in Trouw, 25-04-2007

Sommer, Martin, ‘Bronbeek moet blijven’ in: De Volkskrant, 04-02-1995, bijgewerkt 15-01-2009

Uitnodigingstekst symposium ‘De ethiek van het verzamelen en tentoonstellen’ behorend bij Teylers Museum Haarlem 23-03-2009

‘Verboden te verzamelen’, digitale video op website Museumethiek. www.museumethiek.nl. Bezocht op 31 mei 2009.

Westerman, Frank, ‘Dit is ons indiaantje. Tropenmuseum wil met goed fatsoen van lichaamsdelen af’ in: NRC Handelsblad 03/04-03-2007. pp. 37

Artikelen:

Sint Nicolaas, E., “Het vaderland voorbij. De totstandkoming van de presentatie van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum in de jaren zestig en begin jaren zeventig”, Bulletin van het Rijksmuseum 45 (1997), pp. 310-354

Tibbe, Lieske, ‘Een cultuurkloof’ in: De Negentiende eeuw 24 (2000). pp: 141- 153

Tibbe, Lieske, ‘Natuurstaat of verval’ in: De Negentiende eeuw 29 (2005). pp. 261 - 284

Tollenbeek, Jo, ‘Het Museum, de telefoon en de kunst’in: De Negentiende eeuw (Symposiumnummer maart 2001). pp: 41 - 49

Boeken:

Bloembergen, Marieke, ‘Exotisme en populaire antropologie. Een Javaans dorp op de Wereldtentoonstelling in Parijs (1889)’in: ‘Het exotische verbeeld 1550-1950. Boeren en verre volken in de Nederlandse kunst’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 2002, nr. 53

Bloembergen, Marieke. ‘Koloniale inspiratie’, Leiden: 2004
Darwin, Charles, ‘Het ontstaan van soorten’. Amsterdam: 2001. Oorspronkelijk: 1895.

Legęne Susan, ‘De bagage van Blomhooff en Van Breugel’, Amsterdam: 1998

Montijn, Ileen, ‘Kermis van koophandel. De Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883’, Bussum: 1983

Spalding, Julian. ‘The Poetic Museum. Reviving Historic Collecions’, Prestel London: 2002